Verslag van de raadsvergadering over Voorontwerp-bestemmingsplan “landgoed Het Hooge Veld”
22 november 2005
Gegevens van de regeling
|
Officiële naam |
Beleidsnotitie Nieuwe landgoederen |
|
Citeertitel |
Beleidsnotitie Nieuwe landgoederen |
|
Naam Organisatie |
Gemeente Tynaarlo |
|
Besloten door |
college van burgemeester en wethouders |
|
Onderwerp |
Ruimtelijke Ordening, Verkeer en Vervoer |
|
Datum Inwerkingtreding |
01-01-2002 |
|
Geldig tot |
14-04-2008 |
Opmerkingen m.b.t. de regeling
Geen
Grondslagen
Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)
Geen
|
Datum Terugwerkendekracht |
Datum Ondertekening |
Betreft |
Ontstaansbron |
|
|
Datum ondertekening |
Bron Bekendmaking |
|||
|
|
28-05-2001 |
nieuwe regeling |
28-05-2001 |
Oostermoer, 22-11-2001 |
|
Inwerkingtredingsbesluit |
Kenmerk Voorstel |
|
|
Datum Inwerkingtredingbesluit |
Bron Inwerkingtreding |
|
|
28-05-2001 |
Oostermoer, 22-11-2001 |
Collegevergadering agendapunt 19, 28-05-2001 |
Voorontwerp-bestemmingsplan “landgoed Het Hooge Veld”
De voorzitter merkt op dat er drie insprekers zijn. Hij geeft vervolgens als eerste het woord aan de heer Mulder uit Norg.
De heer Mulder zegt dat hij inspreekt mede namens de collega’s die in het begin van deprocedure al bezwaar aangetekend hebben. Hij wil alleen ingaan op bepaalde punten. Hetmeeste is al besproken met de verschillende fracties en hij denkt dat hij ze voldoende daarover geïnformeerd heeft. Hij wil het met name hebben over de gevolgde procedure en de voorlichting en informatie naar de raadsleden toe.
De eerste keer dat de vestiging van het landgoed aan de orde kwam was op 7 september 1999.
Toen we daarvan hoorden hebben wij, als omliggende boeren, actie ondernomen richting raadsleden, bezwaar aangetekend en argumenten aangedragen tegen vestiging van het landgoed. Naar zijn mening met goed gevolg want de wethouder nam direct bij de vaststelling van de agenda het punt “vestiging landgoed” terug. Hij durfde een stemming niet aan en er was kennelijk geen meerderheid in de raad voor een landgoed.
Dat gebeurde op 7 december 2004 nog eens een keer. In de beantwoording van de
bezwaarschriften werden praktisch alle bezwaarschriften van tafel geveegd. Het gebied was bij wijze van spreken voor het landgoed geschapen en zelfs met de landinrichtingscommissie was overleg gepleegd en was overeenstemming over de vestiging van het landgoed. Toen hij op de avond ervoor op een vergadering over de voortgang van het landinrichtingsplan hier naar vroeg kwam er een heel ander verhaal. De voorzitter wist nergens van en de ambtelijk secretaris van
de Dienst Landelijk Gebied stelde onomwonden dat er geen overleg, laat staan
overeenstemming, met de gemeente was. De aanvrager van het landgoed, de heer Meijer, zat hierbij. Heeft hij de volgende morgen de wethouder ingelicht? Hij weet het niet, maar ijlings werd het agendapunt bestemmingsplanwijziging ten behoeve van het landgoed teruggetrokken.
Hij vindt dit een oneerlijke gang van zaken. Als er in een democratie geen meerderheid is voor een bepaalde zaak dan toets je dat via een stemming of je constateert dat het voorstel geen draagvlak heeft en voert het weer af.
Twee keer hebben wij gewonnen. 2-0. Stel dat de wethouder nu wint krijgen wij dan ook weer een herkansing? Hij is bang van niet.
Voorlichting en informatie. Vaak hebben we moeten constateren dat het waarheidsgehalte van de voorlichting en informatie over de vestiging van het landgoed nogal rekbaar was. Getuige het verhaal over de landinrichting zoals zojuist vermeld.
Bij de aanvraag van een agrarisch bouwblok ten behoeve van zijn jongste zoon kwam ambtenaar BD, dat betekent niet buiten dienst, nadat een vestigingsplaats in Donderen afgewezen was, en na bestudering van een kaart met al onze landerijen tot de conclusie dat vestiging aan de Kampweg een goed alternatief voor ons was. Wij hadden daar immers een blok van plm. 25 ha eigen grond. Er zijn besprekingen over deze vestigingsplek geweest, met een medewerker van NLTO advies erbij. Maar omdat na vijf jaar van stilte het landgoed plotseling weer actueel werd en volgens sommige fracties het landgoed de landbouw geen enkele schade mocht berokkenen werd de aangewezen plaats voor een bouwblok opeens onderdeel van een zoekgebied. Boerderijbouw zou net zo goed ongeveer 1 kilometer verderop kunnen. Zeker op een plek waar we niet eens grond hebben. Deze vaststelling van zaken door de gemeente is pertinent onwaar.
Voor twee weken terug stond er weer een artikel in het Dagblad van het Noorden over het landgoed Het Hooge Veld. De wethouder, of journalist, hij kan het niet exact nagaan, gaf aan dat de landinrichtingscommissie akkoord was met de vestiging van het landgoed. De secretaris van de landinrichtingscommissie gaf gisteravond aan, en het is net of de duivel ermee speelt, maar dat was net één avond voor deze vergadering in weer een avond over de landinrichting, dat de
werkelijkheid toch wel wat genuanceerder was. Hij was behoorlijk pissig dat de betreffende journalist hem niet gebeld had over het standpunt van de landinrichtingscommissie. Ook stelde de wethouder dat de grond toch al niet meer voor de landbouw gebruikt werd. Niets is minder waar. Want ieder jaar groeit er mais op de percelen. De maisoogst van 2005 is exact vandaag gedorst door de huurder van het perceel. Conclusie van dit alles is dat de wethouder absoluut alles uit de kast haalt om het landgoed, waar kennelijk geen meerderheid voor is in de raad, toch
gerealiseerd te krijgen. Dames en heren raadsleden, hij hoopt dat u verstandiger bent en een grote groep jonge boeren in een POP zone I gebied niet opzadelt met een landgoed en de andere plannen die daaraan toegevoegd zijn. Daar zijn wel andere gebieden voor die beter passen.
Mevrouw Smit zegt dat zij de heer Mulder zowel over belangen van boeren daar in de omgeving heeft horen spreken maar ook over zijn eigen activiteiten daar. Misschien wil hij nog toelichten waar voor hem de nadruk op ligt?
De heer Mulder zegt dat het gaat om de vestiging van het landgoed in het gebied. Dat berokkent ons schade maar ook de andere omliggende boeren omdat de wethouder bij de presentatie van de plannen o.a. aan het landgoed een Ecologische Verbindingszone heeft vastgekoppeld, al dan niet in samenwerking met de provincie. Dat zal de betreffende boeren veel schade opleveren. Mevrouw Smit zegt dat de basis waarop dat wordt gezegd heeft betrekking op het bedrijf van de
heer Mulder maar ook op andere bedrijven in de omgeving. Wat zou de gemeente moeten doen om het de heer Mulder en de andere boeren daar naar de zin te maken zodat zij goed voort kunnen met hun activiteiten? Wat zijn de bevoegdheden van de gemeente daarin?
De heer Mulder zegt dat in het gebied een herinrichtingscommissie bezig is met herinrichting. Het aangrenzende gebied in Roden - Norg ook. Hij zou zich best kunnen voorstellen dat in die gebieden daar misschien enkele kilometers vanaf voldoende mogelijkheden zijn om een landgoed te vestigen zonder dat de omliggende boeren daar last van hebben. Mevrouw Smit vraagt of zij het goed begrepen heeft dat de heer Mulder niet opkomt voor zijn
eigen belangen primair maar die voor de boeren, hijzelf incluis?
De heer Mulder zegt dat hij opkomt voor beider belangen.
De heer Van der Kooij zegt dat het voorstel dat op het ogenblik op tafel ligt is eigenlijk het belangrijkste fundamenten het creëren van een Ecologische Verbindingszone. Het groeistuk van het landgoed ook na aankoop van het terrein van de kogelvangers is veel minder dan 20 ha. Het heeft de vorm van een BH. Het belangrijkste argument waarop het college is overgegaan tot het voorstellen goedkeuren van het stichten van een landgoed betekent dus dat er tussen deze
twee delen geen verbinding bestaat. Er loopt nog een weg tussen door. Aan de ene kant zegt u aan de zuidkant van Vries gooien we de Ecologische Verbindingszone in de prullenbak en hier prijst u hem de hemel in. Hij vindt dat inconsistent. Hij meent, dat hij een beetje recht van spreken heeft. Hij is van 1970 tot 1998 onbezoldigd natuurbeschermingscontroleur geweest en ook onbezoldigd Vogelwetcontroleur. Hij heeft veel aan de dierpsychologie gedaan, hij heeft de methoden uit deze psychologie bij zijn promotie in 1974 getransplanteerd in die van de kinderen
jeugdpsychologie. Zijn conclusie is dat het ruilverkavelingsgebied waar thans het landgoed gepland is zich door de jaren heen gekenmerkt heeft als een terrein waar sprake was van een gedifferentieerde flora en fauna. Als je dat vergelijkt met de oorspronkelijke situatie die hij in 1957 gekend heeft in Bunnerveen is dat te vergelijken met hoe op het ogenblik het Fochteloërveen er uitziet, namelijk dat men op het ogenblik bezig is van de natuur een monument te maken. Natuur moet actief beheerd worden.
Een tweede punt. Boeren hebben overwegend het landschapsbeeld bepaald en onze regio een groen gezicht gegeven. Stellig is dat ook het geval ten aanzien van het gebied waar thans het landgoed gepland is. In het Provinciaal Ontwikkelingsplan POP II is dit gebied als één van de weinige als agrarisch gebied aangewezen. Dat is natuurlijk ook logisch gezien de ruilverkaveling Peize - Bunne - Peizermade waar we nog steeds aan moeten betalen en wanneer hij dan nagaat dat Tynaarlo, de gemeente, zich landelijk profileert als een plattelandsgemeente dan
gaat zij voorbij aan een wezenlijk kenmerk van het platteland dat men ook luistert naar de stem van de boer. We hebben het vanavond al even eerder hiervoor gehoord en het lijkt er bovendien op dat POP II weer aan de kant gezet wordt wanneer het de gemeente past.
Een derde punt. De gemeente stemde in het verleden een ondergrens van 20 ha. voor het verwezenlijken van een nieuw landgoed. Hem ontgaat de reden waarom thans weer voorbij gegaan wordt aan een dergelijk criterium dat eerst geformuleerd is. Bovendien, en dat is heel belangrijk, zijn er verschillende eigendommen die op het ogenblik nog niet eens kadastraal op naam staan. Dus dat er wordt gespeculeerd “als ik goedkeuring krijg dan zal ik dat aankopen”.
Hij begrijpt dat niet. Het is logischer om eerst grond te kopen en dan te zeggen dat er een landgoed op gebouwd gaat worden.
En last, but not least. We zijn bezig, weer, ook met zo’n project, en dat betreft zijn vakgebied de psychologie, aan het vergroten van de kloof tussen arm en rijk. Want we mogen niet vergeten, en hij weet dat uit ervaring omdat hij zelf ook bos heeft aangeplant, dat er meer dan 90% subsidie op ligt. Dat komt uit de algemene pot. Dat wil zeggen: de rijken worden nog rijker en de armen worden nog armen. Hij vraagt zich publiekelijk af of dit past in een plattelandstraditie. Hij heeft een paar keer het woord inconsistent genoemd. Hij weet dat dat een zeer ernstig verwijt is, maar hij vindt dat je als burger, en als inwoner, je moet afstemmen wat een overheid, of dat nu een rijksoverheid of een gemeentelijke overheid, wat die doet want daar stem je je eigen persoonlijke beslissing op af. Hier is sprake, in verschillende opzichten, van inconsistentie in eerder ingenomen standpunten.
De heer Meijer zegt blij te zijn hier de mogelijkheid te hebben zijn aanvraag voor landgoed Het Hoogeveld nader toe te lichten. Positief te horen dat de landinrichtingscommissie inmiddels geen belemmeringen ziet voor de ontwikkeling van een landgoed met wat kleine aanpassingen in het noordelijk deel van het plan. Vanzelfsprekend gaat hij akkoord met deze aanpassingen ten behoeve van zijn buurman/collega. Het laatste wat hij wil is een collega belemmeren in zijn
bedrijfsvoering.
Wij als landbouwers zijn immers continue bezig met het nadenken over hun
toekomstmogelijkheden. “Waar willen we naar toe?”, is een dagelijkse terugkerende vraag. Zeker voor akkerbouwers op zandgrond is dit een nijpende vraag.
Alle mogelijk antwoorden lijken bekend:
- agrarische natuurbeheer;
- intensieve veehouderij als neventak;
- mestvergisting, alcoholfabrieken;
- zorgboerderijen, boerderijcampings, boerengolf;
- en ook het ontwikkelen van landgoederen.
Hij vindt dan ook dat het niet past om elkaars keuzes te belemmeren!
Zo is hij zich in 1998 gaan oriënteren op de mogelijkheden om zijn akkerbouwbedrijf te verbreden. Het ontwikkelen van een landgoed leek op dat moment en ook nu nog een goede keuze voor hem te zijn. Contacten met de provincie Drenthe en gemeente Tynaarlo sterkten
hem in die keuze. Immers op die manier kon mede uitvoering worden gegeven aan gemeentelijk en Drents provinciaal beleid, te weten:
- het invullen van het provinciaal omgevingsplan;
- het ontwikkelen van ecologische verbindingszones;
- het creëren van een aantrekkelijker landschap;
- het bevorderen van natuurrecreatie.
Ook NLTO in onder andere haar notitie “verbrede landbouw” steunde hem in dit idee.
Omdat ook de gemeente Tynaarlo hierin mogelijkheden zag is hij vervolgens serieus met de ideevorming en planontwikkeling aan de slag gegaan. Voortvloeiend uit de veelvuldige contacten met de gemeen te Tynaarlo over de planvorming en de daarvoor noodzakelijke beleidsvorming is hij e.e.a. gaan uitwerken met architecten, landschapsarchitecten, stenenbouwkundigen, archeologen en ecologen. In dit vroege stadium heeft hij ook contact gezocht met de buren en NLTO.
Tussentijds heeft hij veelvuldig overleg gehad met de gemeente Tynaarlo om de nodige tussenrapportages te geven en te controleren of hij nog steeds op de goede weg zit.
Wellicht ten overvloede wijst hij erop dat alle in dit verband noodzakelijke onderzoeken zoals;
- haalbaarheidsonderzoek;
- stedenbouwkundig en landschappelijk onderzoek;
- archeologisch onderzoek;
- flora en fauna onderzoek;
- gecertificeerd beheersplan bosgroep 2005- 2015;
- het voorlopig ontwerp van architect en landschapsarchitect
zijn uitgevoerd op zijn kosten.
Tenslotte, na de vorige raadsvergadering is de landinrichtingscommissie Peize om advies gevraagd voor dit plan. Hij is dan ook verheugd dat deze landinrichtingscommissie Peize, (waar de landbouwsector ruim is vertegenwoordigd en ook de gemeente Tynaarlo in de persoon van de wethouder van natuur en landbouw en twee raadsleden) een positief advies heeft gegeven ten aanzien van de aanvraag voor de wijziging van het bestemmingsplan.
Dames en heren,
Gezien:
- de notitie verbrede landbouw van NLTO;
- het beleid van het Ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij;
- het beleid van de provincie Drenthe ten aanzien van de ecologische hoofdstructuur;
- de notitie van de gemeente Tynaarlo over landgoederen;
- het positief advies van de landinrichtingscommissie Peize
- en verwijzend naar zijn gedetailleerd uitgewerkte plan
verzoekt hij de raad medewerking te verlenen bij de realisatie van zijn plan en de bijbehorende wijziging van het bestemmingsplan. Uiteraard blijft hij bereid de nadere uitwerkingen van zijn plan in goed overleg met alle betrokkenen nader vorm te geven. “Een landgoed maakt land goed”.
Hij dankt voor de aandacht.
De heer Kloos zegt dat de raad in eerdere instantie heeft aangegeven geen enkel bezwaar te hebben voor realisatie van landgoederen binnen onze gemeentegrens. De raad dient wel over dergelijke verzoeken haar eigen afweging te maken. In 2002 is dit vastgesteld middels het
onderschrijven van de notitie “Landgoederen in de 20e eeuw”. Door Leefbaar Tynaarlo is daarop een notitie geschreven over landgoederen. Dit is gebeurd naar aanleiding van initiatieven van het college om luxe en dure woningbouw toe te laten in het buitengebied. Dit onder de mom van Landgoederen. Hierover was de raad in eerste instantie niet gekend. Verschillende fracties uit de gemeenteraad hadden in meerderheid, ieder met hun eigen motivatie, al eerder aangegeven geen voorstander te zijn mee te werken aan realisatie van een landgoed op de locatie Het
Hooge Veld te Donderen. Dit was voor het college de reden om dit voorstel enkele malen van de agenda te halen. Ik weet niet welke afspraken er nu zijn gemaakt maar het college blijkt zich nu zo zeker te voelen dat het voorstel nu in stemming kan worden gebracht. Dat het college er haast mee heeft mag ook blijken dat er een T van tijdslimiet achter het agendapunt is geplaatst.
Daarmee geeft het college aan dat zij vanavond een uitspraak wil van de raad.
In eerdere de raadsvergaderingen, (de laatste was 12 juli 2005) waren vragen gesteld naar aanleiding van een publicatie over een procedure in verband met de stichting van Landgoed Het Hooge Veld te Donderen. De vraag kwam aan de orde of de raad hierover in het verleden niet al een afwijzend standpunt had ingenomen. Het gegeven dat de agrariër de heer Mulder, die aangrenzende percelen in bezit heeft en nog steeds geen toestemming heeft gekregen uit te breiden voor zijn bedrijfsopvolging was ook de vraag of dit iets te maken had met de aanvraag in
het zelfde gebied van het tot realisatie komen van een nog te bouwen nieuw Landgoed.
Als antwoord is toen gegeven dat de uitbreidingsplannen van de heer Mulder geen enkel verband hadden met de procedure rond het landgoed. Dat er bij eventueel realisatie van het landgoed verschillende boerenbedrijven op slot zouden kunnen komen te liggen was voor het college geen belemmering om een en ander niet in de procedure te brengen.
Belangrijke documenten die dienen te worden gebruikt om te komen tot een goede afweging zijn de op 14 juni 2005 vastgestelde gemeentelijke structuurplan (concept), verschillende (o.a. provinciale) rapporten waaronder POP II, de regiovisie 2030, en daaraan afgeleide nota’s Kolibrie en de Koningsas (Assen-Groningen). Hiermee dient de raad haar eigen afweging te maken.
In de verschillende documenten is aangegeven dat de provincie het creëren van nieuwe landgoederen wil stimuleren en eventuele buitenplaatsen en bestaande landgoederen wil herstellen. Als het gaat om nieuwe nog te bouwen landgoederen blijkt echter dat onvoldoende duidelijk is wat de bedreigingen kunnen zijn of welke bedreigingen kunnen ontstaan, op plekken waar dat vanuit landbouwkundig oogpunt niet wenselijk is. De raad zal hier dan ook de afweging moeten maken.
Onze gemeente heeft, zo uit navraag bleek, geen beleid met betrekking tot nieuwe nog te bouwen landgoederen geformuleerd. We komen dus pas in actie als er een verzoek voor de aanleg van een nieuw te bouwen landgoed is ingediend. De initiatieven komen meestal bij particuliere grondeigenaren vandaan die graag buiten willen wonen en meestal geen agrariërs zijn en goed in de slappe was zitten. Dat telt ook hier. Dit betekent dat het beleid pas wordt aangepast of ingevuld als het initiatief leidend is. Een dergelijke vorm van gelegenheidsplanologie is wat betreft Leefbaar Tynaarlo zeer ongewenst. Initiatiefnemers zijn nl. in staat een nog nieuw te bouwen landgoed zodanig te beschrijven dat het past binnen alle beleidskaders
omdat er een duidelijke richtlijn van de raad ontbreekt.
De gemeente Tynaarlo dient eerst beleid te formuleren met betrekking tot nieuw nog te bouwen landgoederen. Dit beleid moet sporen met reconstructieplannen en gebiedsgerichte plannen.
Tevens kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld op lokaal niveau, voorwaarden die maatwerk kunnen bieden. Landbouw en nieuwe nog te bouwen landgoederen dienen in principe te worden gescheiden. Vertaald naar reconstructietermen betekent dit dat in landbouwontwikkelingsgebieden geen nieuwe nog te bouwen landgoederen worden toegestaan en in de verwervingsgebieden er selectief nieuwe nog te bouwen landgoederen mogen worden toestaan, voorzover zij bijdragen aan de vastgelegde gebiedsdoelstellingen en een positief effect hebben op het agrarische belang. Per saldo betekent dit dus dat we als gemeente een terughoudend beleid dienen te voeren voor wat betreft nieuwe nog te bouwen landgoederen.
Mevrouw Van den Berg zegt dat het landgoederenbeleid is vastgesteld. Wat was toen de mening van Leefbaar Tynaarlo hierover?
De heer Kloos antwoordt dat hiervoor de notulen kunnen worden nagelezen.
Mevrouw Van den Berg zegt het nu te willen weten.
De heer Kloos zegt dat Leefbaar Tynaarlo er op tegen is dat op deze manier landgoederen worden gecreëerd in de gemeente Tynaarlo. Zij hebben wel aangegeven geen problemen te hebben als heel duidelijk aangegeven wordt waar je landgoederen zou willen hebben. Zijn fractie heeft direct gezegd dat aan de noordkant van Donderen de agrarische stand leidend is.
Daar zou dus geen landgoed moeten komen.
Mevrouw Van den Berg concludeert dat Leefbaar Tynaarlo in principe “ja” heeft gezegd met een enkele voorwaarde die nu naar voren wordt gebracht.
De heer Kloos antwoordt dat deze voorwaarde toen is ingebracht.
Bij het gemeentelijk beleid dient voorop te worden gesteld dat het nieuwe nog te bouwen landgoed niet mag leiden tot beperking van de bestaande omliggende agrarische bedrijven. Het gaat dan niet alleen om de bestaande situatie maar ook om de toekomstige ontwikkeling van deze bedrijven. Nieuwe nog te bouwen landgoederen mogen dus ook niet leiden tot belemmering van de uitbreidingsmogelijkheden waar agrarische bedrijven behoefte aan hebben.
Nieuwe nog te bouwen landgoederen zullen, als we toestemming geven voor de ontwikkeling van dergelijke landgoederen, zondermeer extra financiële middelen moeten kunnen genereren, welke moeten worden ingezet voor doelen waarbij de landbouw belang heeft, bijvoorbeeld het verplaatsen of extensiveren van agrarische bedrijven.
De beoordeling van nieuwe nog te bouwen landgoederen moet dus integraal gebeuren. Enkel het realiseren van nieuw bos of nieuwe natuur leidt op zichzelf niet automatisch tot een kwaliteitsimpuls voor het landelijke gebied. De aanleg van nieuwe nog te bouwen landgoederen mag niet een instrument ofwel een excuus zijn om nieuwe (luxueuze) woningbouw toe te staan in het landelijke gebied. Tevens dient het algemene belang boven het individuele belang te worden gesteld.
Leefbaar Tynaarlo heeft onderzocht wat de het begrip “landgoed” betekent. Ik verwijs
gemakshalve naar onze aan de raad aangeleverde notitie landgoederen. Deze was duidelijk en helder en heeft geen negatieve inbreng van de raad opgeleverd. Duidelijk was dat de overheid een instrumentarium ter bevordering en instandhouding van particuliere landgoederen in het leven heeft geroepen. Het komt er samengevat hierop neer dat geheel of gedeeltelijk met bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak het voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm, het behoud van het natuurschoon voorop dient te staan. Een hele volzin, maar zo staat het er in. Niet alleen vanwege de waarde van het onroerend goed, maar ook omdat een bestaand landgoed een economisch gezonde onderneming dient te zijn, met inkomsten uit bosbouw, veeteelt en recreatie. Voor nieuwe nog te bouwen landgoederen dient vooraf dan wel door de raad te zijn vastgelegd aan welke criteria een en ander dient te voldoen en op welke plaatsen binnen de gemeente een nieuw nog te bouwen landgoed wenselijk zou zijn. Ook de notitie over landgoederen, die destijds is vastgesteld, laat wat dat betreft ook niet aan duidelijkheid te wensen over. Daar wordt melding gemaakt van het feit dat wanneer men nieuw nog te bouwen landgoederen ergens wil vestigen, de belangen van de landbouwers wel degelijk een heel grote rol dienen te spelen.
Nieuwe nog te bouwen landgoederen komen echter alleen in aanmerking om als natuur- of beheersgebied te worden begrensd, wanneer ze naar het oordeel van de o.a. de provincie bijdragen aan een duurzame en stabiele EHS. Deze begrenzing kan plaatsvinden als wijziging van eenvoudige aard. Het bovenstaande gaat voor wat betreft de gekozen locatie te Donderen niet op.
Als belangrijkste criterium geldt, zo is onze mening, dat dit soort ontwikkelingen geen bedreiging mogen vormen voor het voortbestaan van de op dit moment nog bestaande agrarische bedrijven. Binnen het landschap van Tynaarlo hebben zeker agrariërs, zover die we nog hebben, een belangrijke rol als we spreken over onze landschappelijke invulling en het behouden daarvan, en verdienen dan ook zondermeer een beschermde status van deze gemeente.
Gezien het feit dat met de realisering van een landgoed ten noorden van Donderen de bevolking aldaar duidelijk te kennen heeft gegeven geen landgoed in het betreffende gebied te willen, vragen wij de raad nu duidelijk stelling te nemen, en niet toe te laten dat op jonge veldontginning een nieuw nog te bouwen landgoed komt, waarmee deze gronden verloren gaan voor de landbouw. Leefbaar Tynaarlo stelt de raad dan ook voor met het gevraagde besluit niet mee in te stemmen. We dienen duidelijk uit te spreken dat de raad geen voorstander is van het creëren
van een nog te bouwen landgoed Het Hooge Veld in het agrarische gebied het Hooge Veld dat valt onder jonge veldontginning.
De heer Pieters zegt dat een opmerking is gemaakt of financiën die gegenereerd moeten worden door de nieuw te bouwen landgoederen en die te goed zouden moeten komen aan de bestaande landbouw. Wat bedoelt de heer Kloos daar precies mee?
De heer Kloos zegt dat als de raad vanavond besluit tot het realiseren van een nieuw landgoed in het Hooge Veld dan houdt dat in dat het kan betekenen dat in dat gebied een agrarisch bedrijf moet worden verplaatst. Dat heeft met de EHS en met de pachtkaart te maken enz. Het zou toch heel raar zijn dat als je als gemeente een besluit neemt en dat een agrariër in dat gebied straks misschien wel met een paar ton aan kosten komt te zitten t.a.v het verplaatsen van die boerderij. Leefbaar Tynaarlo vindt dat dan de initiatiefnemer geld moet genereren om die
verplaatsing financieel tot zijn beslag te laten komen.
De heer Pieters vraagt of de heer Kloos kan aangeven hoe hij dat in de praktijk ziet. Een regeling voor 5 jaar of 10 jaar? Als dit een standpunt is dat we met elkaar omarmen dan kunnen we stoppen met de landgoederen overal.
De heer Kloos antwoordt dat Leefbaar Tynaarlo onder landgoederen heel iets anders verstaat. Er zijn op dit moment nog genoeg prachtige hoeves die op één of andere manier in aanmerking zouden kunnen komen voor een functie als landgoed. Misschien dat er binnen deze gemeente ook nog wel ergens een prachtige hoeve staat die je zeker voor het nageslacht moet bewaren.
Dan kun je daar je geld insteken. Het moet niet ten koste gaan van een nieuw landgoed en dat daar derden een financiële veer moeten laten.
De heer Gringhuis zegt dat het voorontwerp-bestemmingsplan een onderwerp is waar al jaren over gesproken wordt terwijl het nu expliciet ter bespreking voorligt. Voor dit moment kan de ChristenUnie hier heel kort over zijn. En dat zal hem een weldaad zijn. Het college heeft de aanvraag getoetst aan haar beleidsnotitie “Nieuwe Landgoederen” en is tot de conclusie gekomen dat de aanvraag inpasbaar is in het beleid. De ChristenUnie heeft ook een toetsing aan hetzelfde document uitgevoerd en komen tot een andere conclusie. Om de ontstane impasse te doorbreken stelt hij voor dat het college een A-4tje maakt met daarin een overzicht
van de toetsingscriteria uit de beleidsnotitie “Nieuwe Landgoederen” en uit POP II. Dan zal blijken welke criteria zijn gehanteerd en hoe zwaar de oordelen zullen wegen over de diverse criteria in de besluitvorming van het college. Wij zijn echter van mening dat het niet inpasbaar is.
De hoofdreden daarvoor is dat dit plan gerealiseerd dient te worden in een zone I gebied, een gebied waarin de landbouw vrijwel zonder belemmering zijn functie kan hebben. De ChristenUnie acht dit in dit geval belangrijker dan het realiseren van landgoed. Het is in de beleidsnotitie “Nieuwe Landgoederen” ook expliciet opgenomen dat de raad over dergelijke verzoeken haar eigen afwegingen maakt. Een bezoek ter plaatse heeft hun niet overtuigd dat indien hier geen landgoed wordt gevestigd de Ecologische Verbindingszone hier niet geprojecteerd kan worden.
Tevens kon worden vastgesteld dat het landgoed niet georiënteerd is op een interlokale weg.
Samenvattend kan hij u namens de ChristenUnie melden dat zij het voorgestelde besluit niet zullen ondersteunen.
De heer Kremers zegt dat het CDA in haar verkiezingsprogramma o.m. heeft gesteld dat mede door het sterk krimpen van de agrarische sector het karakter van het platteland in de loop der jaren is veranderd. Steeds meer wordt het platteland gezien als een gebied voor wonen, recreëren en genieten. Inzet van het CDA is het instandhouden van een vitaal platteland waar ook ruimte is, en blijft, voor agrarische ontwikkeling. Het CDA is van mening dat een agrariër niet alleen voedsel produceert maar ook landschap ontwikkelt en onderhoudt en wel bijzonder gewaardeerd landschap. De agrariër is degene die door levering van groene diensten zoals
natuur en landschapsbeheer, vergroting van toegankelijkheid van groen voor recreatie en door waterbeheer een grote bijdrage levert aan dit landschap. Als we dat afzetten tegen onze eigen beleidsnotitie zoals we die in 2002 hebben vastgesteld ten aanzien van landgoederen, het feit dat POP II dit gebied als zone I gebied aan heeft gemerkt, specifiek bedoeld voor agrarische doeleinden, het feit dat de argumenten die door het college worden gebruikt om vóór dit landgoed te zijn evenzo gemakkelijk - en misschien zelfs beter - gebruikt kunnen worden om juist tegen dit landgoed te zijn, heeft het CDA gekozen om ook tegen dit voorstel te zijn. Het CDA laat in dit geval de belangen van de agrariërs in dat gebied zwaarder wegen dat de belangen van de anderen, dan wel de landgoedeigenaar.
De heer Meerman zegt dat we hebben te maken met een voorstel dat al sinds 1999 ligt en wat al vaker op de agenda heeft gestaan en wat al een enkele keer, zonder besproken te zijn, van de agenda is verdwenen. Wij hebben in het verleden al eerder gemeld dat wij vinden dat het voorstel wel past binnen de kaders van de landgoederennotitie. In die zin kan GroenLinks ook akkoord gaan met het voorstel dat voorligt.
Toch hebben zij nog wel een paar vragen aan de wethouder. Allereerst de communicatie in deze. Zoals reeds gemeld loopt de aanvraag al een hele tijd. Hoe is het mogelijk dat drie jaar na het eerste verzoek van het landgoed, in 2002 de heer Mulder als zoekrichting het gebied van het Hooge Veld kreeg aangewezen. In hun beleving is dat vragen om moeilijkheden. Had dat niet voorkomen kunnen worden? En is er vervolgens, na het constateren van het probleem, met de heer Mulder gezocht naar andere mogelijkheden?
Een ander punt is de klassering van het gebied. Ook al vaker op de agenda geweest vanavond. Dat is nu de zone I. De omwonenden en de aangrenzende boeren in het gebied zijn bang dat met het realiseren van een landgoed de klassering van het gebied wordt gedegradeerd van zone I naar zone II of III. GroenLinks wil in zo’n situatie niet direct spreken van een degradatie.
Velen zullen het zien als een upgrading van het gebied. Toch kunnen zij zich de zorgen van de boeren wel voorstellen. Zij willen daarom van de wethouder horen of hun zorg terecht is. Hoe groot is de kans dat het gebied een upgrading krijgt van zone I naar zone II of III.
Mevrouw Van den Berg zegt dat dit onderwerp nu voor de eerste keer echt aan bod komt. Vele jaren in wandelgangen, voor- en achterkamers over gesproken. Ook misschien weer een hoofdpijndossier. We hebben daar meer van. Zij gaat even terug naar de historie van het gebied. Ongeveer 40 jaar geleden was het één Bunnerveen gebied. Drassig, velden, prachtig natuurgebied. Het is één van de laatste ontginningen geweest waardoor de landbouw mogelijkheden had om daar hun bedrijf te realiseren. Maar als je in het gebied rondwandelt op rondfietst zie je nog talloze elementen vanuit die vroegere tijd.
Het Langaarveen, de bosjes van dit landgoed onder andere. Houtwallen, houtsingels een heel interessant gebied om zowel landbouw uit te oefenen alsook om te recreëren. Zij fietsen er heel vaak doorheen. Dat is nu de situatie. Want, er is een aanvraag voor een landgoed. O jee, o jee.
En toen begon het. Iedereen zette zich schrap en dat vindt D66 een jammere gang van zaken dat het meteen al een strijdpunt is geworden van “de landbouw hier en een landgoed daar en wij gaan strijden met elkaar”. Terwijl juist het gebied bijzonder geschikt is om zowel het één als het ander te hebben. Zij heeft thuis nog een provinciale nota liggen van Ecologische Verbindingszone uit 1998 en deze lag al over dit gebied heen omdat het gebied zo interessant is voor het een en het ander.
Het is al gememoreerd, meermaals is het voorstel teruggenomen omdat het op de agenda dreigde verpieterd te worden, maar wij hebben uiteindelijke de notitie “Landgoederen “ vastgesteld. Dat heeft plaatsgevonden met veel inspraak en uiteindelijk zijn - dacht zij – alle fracties daarmee akkoord gegaan hoewel sommigen wat voorbehouden hebben gemaakt. Dat is het beleid van onze gemeente. Daar toetsen wij nu dit plan aan. Volgens D66 kan dat heel goed naast elkaar. Zij begrijpt niet waarom alle partijen dan, als struisvogels, de koppen in het zand steken van “wij kunnen niet met elkaar”. We moeten juist met elkaar dit gebied vormgeven en
interessant houden want het platteland verandert door allerlei omstandigheden waar wij gewoon helemaal geen grip op hebben.
Het is wel duidelijk. D66 is voor dit landgoed en zij hopen dat dit samen met de landbouw een goede toekomst kan krijgen.
Mevrouw Smit zegt dat aan de orde is de inspraak en overlegnotitie met betrekking tot het voorontwerp-bestemmingsplan landgoed Het Hooge Veld. Aanleiding voor de bespreking is het in 1999 ingediende verzoek va de heer Meijer om een landgoed op te mogen richten. Zij heeft er toch behoefte aan om een korte samenvatting van de voorgeschiedenis te geven. En dat begint met het verzoek van de heer Meijer. Destijds heeft hij door een landschapsarchitect een ontwerp laten opstellen. Omdat het initiatief goed past binnen het provinciaal omgevingsbeleid heeft de provincie het ontwerpproces mede gefinancierd. Bij het maken van het ontwerp zijn
medewerkers van zowel provincie als gemeente als overlegpartners betrokken. Aangezien er eind jaren ’90 meer initiatieven in onze gemeente waren om tot het oprichten van een landgoed te komen is door de raad in 1999 besloten tot het opstellen van een beleidsnotitie met betrekking tot het vestigen van landgoederen. Betrokken partijen bij het totstandkomen waren o.a. de provincie, de gemeente en NLTO. Het resultaat “de beleidsnotitie Nieuwe Landgoederen als spiegel van de 21e eeuw” daar beschikken we nu over. Deze notitie is vastgesteld door de raad in 2002. In maart 2003 heeft het college besloten om onder voorwaarden medewerking te
verlenen aan het initiatief van de heer Meijer, omdat het initiatief past binnen het provinciaal en gemeentelijk beleid. In juni 2004 is het voorontwerp in procedure gebracht. De commissie afstemming ruimtelijke plannen van de provincie Drenthe heeft in dit kader geconcludeerd dat het initiatief goed aansluit bij het provinciaal beleid nieuwe landgoederen. Om zo goed mogelijk rekening te houden met de landbouw en de functie hiervan in het gebied is advies gevraagd aan
de landinrichtingscommissie Peize en omstreken. Wij hebben daar onlangs bericht van gehad.
De heer Kloos zegt dat mevrouw Smit nu de landinrichtingscommissie opvoert. In hoeverre is het haar taak om een bindend advies af te geven? Is dat wel zo?
Mevrouw Smit zegt dat de heer Kloos haar deze conclusie niet heeft horen uiten. Zij wil graag haar betoog verder vervolgen.
Zij wil verder memoreren dat wij kortgeleden het advies van de landinrichtings-commissie hebben vernomen en zij concluderen dat er met betrekking tot de doelstellingen van het herinrichtingsplan geen belemmeringen zijn. Er is nadrukkelijk ook gemeld in de raad en daartegen zijn geen tegenwerpingen ingebracht om deze kwestie voor te leggen aan de herinrichtingscommissie. Welaan daar ligt nu dit advies en het is in die zin voor de VVD één van de onderdelen op basis waarvan zij zeggen dat er op voorhand niet gezegd kan worden op basis van het POP, noch op basis van het vastgesteld beleid in deze gemeente, de notitie “Landgoederen”, dat er in dat gebied geen landgoed mogelijk is. Verder, als we dan kijken naar de inhoudelijke kant van de zaak dan is er ook voor wat betreft de locatie uitgangspunten op maatschappelijk gebied, dan is daar een ruimere gebruiks-mogelijkheid straks van het landelijk gebied en dat betreft in dit geval een extensief recreatief medegebruik. Zij kan nog enkele inhoudelijke details noemen, maar om kort te gaan: De VVD vindt dat het goede uitloopmogelijkheden biedt, ook in het kader van de Regiovisie Groningen Assen, als uitloopgebied voor steden maar ook voor de kernen Eelde, Vries, Zuidlaren en anderen. Verder constateren zij dat er goede mogelijkheden zijn in het kader van Ecologische Verbindingszones en al met al, kan de VVD niet anders dan constateren dat een landgoed in dit gebied uitstekend past. En dan niet gebaseerd op toekomstige verwachtingen die toch een negatief licht zullen werpen op het geheel, maar de VVD ziet daar gewoon een goede plek.
De heer Van Es zegt dat er al veel inbrengen zijn geweest. Hij zal daarom de zijne wat inkorten. Het onderwerp beperkt zich eigenlijk tot een paar zaken. De mogelijke vestiging van een landgoed in het Hooge Veld. In het initiatief staan een aantal zaken. Ten eerste POP II, onze eigen landgoederennotitie en het advies van de landinrichtingscommissie. Dat zijn eigenlijk de zaken die een rol spelen. In het collegevoorstel wordt al gezegd dat het landgoed inpasbaar is.
Dat is zo’n rekbaar begrip waarbij je zegt “het valt wel in te passen, met wat kunstgrepen wellicht”. Hij komt daar later op terug.
Het landgoed is gepland in een gebied dat volgens POP II in een zone I gebied gekwalificeerd dient te worden. Een gebied waar de uitoefening van grondgebonden landbouw op bedrijfseconomische grondslag voorop staat. Als nevenfunctie wordt dan nog genoemd recreatief medegebruik. Het POP noemt een aantal voorwaarden waaraan een landgoed na realisatie dient te voldoen. Hij gaat ze niet allemaal weer opnoemen, ze zijn al links en rechts wat genoemd. Het verzoek moet een positieve uitwerking op het gebied hebben. Dat is wat subjectief. Ze moet passen in het clusteringsbeleid en er moet sprake zijn van het versterken van de landbouw en landschapswaarden en ze moeten aansluiten op een bestaande bebouwing tenzij ze groter zijn dan 50 hectare. Met betrekking tot het bosbeclusteringsgebied gelden nog een aantal criteria, grenzen aan bestaand bos of aan waardevolle bosgemeenschap, grenzen aan natuurgebieden groter dan 50 ha en nog een aantal voorwaarden. Hij wil ze niet allemaal noemen.
Als wij al die groene voorwaarden gesteld in POP II bekijken voldoet het plan naar hun mening in onvoldoende mate aan die gestelde eisen om tot de vestiging van een landgoed over te kunnen gaan.
Met betrekking tot onze eigen landgoederennotitie geldt als één van de randvoorwaarden dat de milieuruimte van de omringende agrarische bedrijvigheid niet door de aanleg van een landgoed mag worden belemmerd. Gezien de opmerkingen ten aanzien van de belangrijke rol die het landgoed wordt toebedacht in een eventuele Ecologische Verbindingszone als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur is Gemeentebelangen daar niet gerust op.
Naar hun mening zal de aanleg van een landgoed, zeker als er sprake is van bosaanleg, de herkenbaarheid van het landschapstype niet ten goede komen. Ook vanuit maatschappelijk uitgangspunt bezien zal een landgoed zoveel mogelijk gesitueerd moeten worden bij een woonkern zodat het als uitloopgebied kan fungeren. Wat ons buiten betreft van het landgoed Hooge Veld en de ligging is daarvan naar onze mening geen sprake.
Met betrekking tot het advies van de landinrichtingscommissie merkt hij het volgende op: Het is bekend dat de landinrichtingscommissie nog bezig is met de planopstelling. Er hebben nog geen wenszittingen plaatsgehad, het betreft slechts een momentopname afgegeven op een moment dat er nog geen inventarisatie van de wensen van de grondgebruikers heeft plaatsgevonden.
Volgens hun informatie zijn er in het gebied zelfs al weer de nodige eigendomswisselingen geweest. Een goede afweging wat dat betreft zal pas gemaakt kunnen worden als het landinrichtingsplan verder uitgewerkt is.
Samenvattend, Gemeentebelangen is niet voor het landgoed.
De heer Meerman zegt een vraag te willen stellen aan de heer Van Es, maar misschien ook wel aan de andere fracties. Een paar maanden hebben we met elkaar gesproken over dit onderwerp en toen is gezegd dat er eerst een uitspraak van de landinrichtingscommissie zou moeten komen. Hij wil graag weten in hoeverre die uitspraak een rol heeft gespeeld in de
besluitvorming. Waarom heeft u nog twee maanden deze procedure opgeschort terwijl u in de besluitvorming daarvan in feite al lang overtuigd was dat het landgoed er niet zou moeten komen?
De heer Van Es antwoordt dat op het moment dat het voorstel in de raad behandeld werd lag het al in handen van die commissie. Gemeentebelangen vond het toen niet passend om het daar weg te halen. Beter leek het hun de commissie haar werk te laten doen en de uitkomst mee te nemen in hun besluitvorming. Gemeentebelangen is tot de conclusie gekomen dat het landgoed onvoldoende past in dat gebied.
De heer Meerman constateert dat Gemeentebelangen de landinrichtingsuitspraak helemaal niet relevant vindt. U had toen al nee kunnen zeggen. De hele procedure had niet gevolgd hoeven worden. En u vindt het dan ook heel normaal dat de aanvrager nog een aantal maanden extra wacht.
De heer Van Es merkt op dat de heer Meerman hem niet heeft horen zeggen dat de uitspraak er niet toe doet. Gemeentebelangen heeft hem meegewogen en is gekomen tot een andere conclusie.
De heer Kalk zegt dat hij aangenaam getroffen was door de opmerking van de heer Kremer over het beheer van het agrarisch gebied. Vanuit zijn achtergrond had hier ook het woord rentmeesterschap kunnen worden gebruikt.
Er schoot hem toen hij het voorstel over dit agendapunt las een liedje te binnen dat ging over Berend Botje. Nu kwam dat laatst ook voor in de gemeentelijke voorlichting. Wij weten dat Berend Botje niet meer teruggekomen is. Toen hij het voorstel nog een keer doorgenomen had schoot hem nog een liedje te binnen “advocaatje ging op reis, tiereliereliere”. Het lijkt erop dat advocaatje wel terugkomt, zij het een beetje met de hakken over de sloot.
Waarom dit liedje? Dit voorstel, als je dit leest, geeft hem en zijn fractie sterk het gevoel dat het gelijk wordt gezocht met terugwerkende kracht naar 1999. Hij zal uitleggen wat hij daarmee bedoelt. De heer Meijer is gestart met zijn plan in 1999. Wethouder Frieling heeft meerdere keren gezegd, en anderen ook, dat het eigenlijk nu pas de eerste keer is dat het onderwerp behandeld wordt. Hij zegt “dat is niet juist om dat zo voor te stellen”.
Er zijn meerdere aanlopen genomen om het tot besluitvorming te laten komen alleen het is ook even zovele keren teruggenomen, om wat voor reden dan ook. De feitelijke constatering met de reden, hoe je het ook wendt of keert dat het toen teruggenomen is, is dat er geen draagvlak was. Ondertussen zijn er allerlei dingen gebeurd. Dank aan mevrouw Smit voor haar chronologische weergave. De PvdA durft daar geen verbetering in aan te brengen. Er komt een notitie landgoederen in deze raad en dan wordt er gedacht, een soort automatisme is dat, die notitie is er, er is een POP en nu komt er een aanvraag en dan moet die ook worden gehonoreerd. Maar dat is niet waar. Er is geen enkele koppeling tussen de notitie landgoederen en het bestemmen van een specifiek gebied. Er zijn voorwaarden genoemd. Die liggen deels in
hogere wetgeving, in dit geval provinciale wetgeving, POP II, en deels kun je en aantal randvoorwaarden vinden in de notitie landgoederen. Wat is er nu feitelijk aan de hand? Dat is al eerder gezegd, we zitten met bestemmingsgebied I, jonge veldontginning, en het college schrijft ook in haar voorstel dat aan dat gebied in principe de voorkeur wordt gegeven boven esdorplandschap etc. Verder staat in het POP dat er ook een aantal voorwaarden zijn geformuleerd over het voorkomen van het belemmeren van agrarische belangen, over de aaneensluitende bebouwing en interlokale ontsluiting én, als bijkomend punt ook, de mogelijkheden van recreatief medegewin. Wat nu het college doet is dat derde punt er uitlichten
en terugredenerend zeggen “wij kunnen hard maken dat er een vorm is van recreatief medegewin etc.” en vervolgens slaat men de beide andere punten over. Dan geldt het verhaal van de heer Gringhuis “veel is omkeerbaar”.
We komen dan bij het jaar 2004. Van de maatschap Mulder komt een aanvraag. Op dat moment is er inderdaad geen enkele besluitvorming er is zelfs sprake van enige stilstand. Familie Mulder dient een verzoek in begin 2004. Hij heeft in de stukken van toen, op dat moment, nimmer het woord “zoekrichting” aangetroffen. Dat is er niet. Later, een jaar tot anderhalf jaar later, komen we in de beschouwingen over het verhaal plotseling de term zoekrichting in brieven tegen. Dat bedoelt hij ook met terugredeneren. Zeggen “zo moet het gelezen worden”. Dat vindt de PvdA
niet een correcte manier om dat zo te doen.
Dan gaan we even naar de achterkant van het gelijk. De PvdA vindt dat er van hun eerdere opstelling als fractie in dit dossier geen aanleiding is om tot een andere opstelling te komen. Het gebied waar wij over praten is bij uitstek geschikt om een agrarisch bedrijf uit te oefenen en men
moet het toejuichen dat er nu in deze tijd waarin de sector het moeilijk heeft nog mensen zijn en opvolgers die in zo’n gebied willen investeren. Zo gemakkelijk is zo’n start niet. Hij begrijpt ook niet dat sommige partijen die van oudsher, naar eigen zeggen ook, zo’n speciale band hebben met de agrarische sector dat die zo gemakkelijk over de belangen van deze mensen heen lopen. Grote mannen, kleine mannen, grote man wint, kleine man verliest. De PvdA doet hier niet aan mee.
De voorzitter schorst de vergadering tot 22.55 uur.
De voorzitter hervat de vergadering en geeft het woord aan wethouder Frieling.
Wethouder Frieling zegt dat geheel in lijn met het feit dat het landgoed Het Hooge Veld al redelijk lang onderweg is, is ook vanavond redelijk uitvoerig over de aangelegenheid gesproken.
Hij denkt dat dat ook volstrekt terecht is want het is een buitengewoon belangwekkend onderwerp. Mede omdat dat zo is, is de voorbereiding en de begeleiding vanuit het college ook een zeer zorgvuldige en intensieve geweest.
De zaken die destijds, voor invoering van het dualisme gespeeld hebben, toen wij nog een raadscommissie hadden en de zaken die daarnaast gespeeld hebben zijn vanavond voldoende aan de orde geweest, maar hij wil er toch duidelijk op wijzen dat de landgoederennotitie zoals die door de raad is gemaakt, door de raad destijds gewoon als een noodzaak werd ervaren, dat die er zou liggen om aanvragen van mensen aan te kunnen toetsen en vervolgens te beoordelen. Suggesties die hier vanavond gezweefd hebben alsof zo’n notitie zou moeten worden gemaakt om achteraf bij wijze van spreken van een soort automatisme een aanvraag te honoreren, werpt hij verre van zich. Dat is ook een volstrekt verkeerde benadering van de zorgvuldigheid die betracht is in het voortraject. Want die notitie is mede ook totstandgekomen door daar intensief over te overleggen met betrokken instanties. Dat overleg is er geweest, en je kunt dus zonder meer stellen dat, behalve dat er een immens groot draagvlak was voor die notitie in deze raad, er ook buiten de raad sprake was van een stevig en aanzienlijk draagvlak.
Hij moet toch kwijt dat het college verbaasd is dat u op bepaalde punten daar afstand van wenst te nemen. Hij kan het tenminste niet anders opvatten. De notitie werkt als het ware vanuit een brede invalshoek naar een steeds concreter toetsingskader wat zo goed als achterin de notitie tot een duidelijk overzicht van nog veel minder dan een A-4 heeft geleid, waarvan daar is gemeld dat dat de punten zijn waaraan een aanvraag wordt getoetst. Dan kun je wel weer de andere kant op redeneren van dat komt daar vandaan, en dat komt daar vandaan en dan kom ik bij die details uit en dan vindt ik er nog wel een paar waar hij niet aan voldoet. Dat geeft hij de
raad riant mee. Er zijn onderdelen waarvan je zegt dat het naar de letter niet voldoet. Dat is in de ruimtelijke ordening overigens in buitengewoon veel gevallen het geval. Wij werken nu een keer met de beperkingen die de planologie meegeeft en u weet ook, net zogoed als hij, dat wanneer die beperkingen hinderlijk worden geacht om toch een goed voorstel in stand te houden dan gaan wij dat beoordelen, let wel en dat kan van alles zijn van dakramen tot serres en complete boerderijen, tegen de achtergrond zo breed mogelijk van wat er ligt aan criteria en dan heb je geregeld dat je niet volledig aan alle criteria voldoet. Hij constateert nu dat er zelfs criteria bij worden gecreëerd. Hij heeft verschillende sprekers horen zeggen: “omdat het in zone I ligt kunnen wij niet instemmen”. Er zit geen enkele grondslag in welk beleidsstuk dan ook, noch van de provincie noch van ons - uitdrukkelijk van ons, van de raad én het college - dat aangeeft dat zone I het onmogelijk maakt om reëel na te denken over de vestiging van een landgoed. Nergens is dat op gebaseerd.
De heer Kalk zegt dat hij het grotendeels eens is met wat de wethouder zegt, maar hij zegt ook dat er geen enkele reden is om te zeggen dat het daar uitgesloten zou zijn.
Wethouder Frieling antwoordt dat het niet op die grond uitgesloten is.
De heer Kalk beaamt niet op die grond, maar er staat wel in geformuleerd waar de voorkeur naar uitgaat. Als de wethouder zegt dat je de redenering niet moet omkeren, kun je voor hetzelfde geld zeggen, men kijke naar wat positief geformuleerd is als bestemming in de verschillende zones. En daar hebben enkele sprekers zich door laten leiden. Hij kan niet inzien wat daar mis mee is.
Wethouder Frieling zegt dat als de heer Kalk het in die termen wil gieten. Hij heeft het niet over mis of goed. Hij heeft het over de conclusies die je kunt trekken. Het college is in gemoede van mening dat er geen grondslag is te vinden, en de heer Kalk gaf hem daar net gelijk in, voor de stelling dat zone I per definitie de vestiging van een landgoed zou verhinderen. Dat is precies wat hij heeft gezegd.
De heer Kalk zegt dat in POP II staat geschreven dat aan de zonering bepaalde voorkeuren qua bestemming zijn gekoppeld.
Wethouder Frieling zegt dat je zit met wat planologie ook altijd als eigenschap heeft, dat er een feitelijke situatie is en er wordt een planologisch regime opgelegd. Als je zegt van zone I bevat een omschrijving van grote prioriteit voor landbouw maar er zitten in een bepaald gebied ook elementen die op een andere manier benut kunnen worden dan strikt voor de bedrijfseconomisch georiënteerde landbouw, dan zijn die er gewoon. En toch is het zone I. Dan betekent dat niet dat je het feit dat daar zaken aanwezig zijn die niets met de rationele landbouw te maken hebben, maar er gewoon zijn, niet betrekt bij een afweging voor een concrete aanvraag die juist op dat gebied betrekking heeft.
De heer Kloos heeft een heel lang verhaal gehouden. Hij moet zeggen dat hij de grootste moeite had om het te volgen. Dat ligt helemaal aan hem. Maar wat hem is bijgebleven is dat de heer Kloos zegt dat er een “T” bij staat omdat het college haast heeft. De “T” staat erbij omdat het voor de aanvrager van buitengewoon belang is om voor 1 januari a.s. duidelijkheid te hebben i.v.m. een subsidiesituatie. Dat is een zeer valide reden. Wij doen dat zelf ook als ergens gebruik moet worden gemaakt van een subsidie waarbij staat je moet het indienen voor dan en dan, of het moet obstakelvrij zijn voor dan en dan, dan doe je gewoon je best om dat te doen. Hij vindt, ongeacht een aanvrager, dat als een anvrager een fatsoenlijk en goed gedocumenteerd belang
heeft dan is dat ook gewoon een burger en dan gaan wij daar ook correct mee om. Als u het anders wilt doen dan hoort hij dat wel. Verder is hem opgevallen dat de heer Kloos heeft gezegd dat wij geen beleid hebben voor nieuwe landgoederen en toen is hij afgehaakt want dat beleid dat hebben we dus wel en dat staat duidelijk in de betreffende notitie. De gedachtegang dat dat voor wat anders dan voor nieuwe landgoederen zou zijn is zo ook volkomen onlogisch want te veronderstellen dat bijvoorbeeld die notitie is geschreven voor de landgoederengordel in Eelde,
daar kan hij niet opkomen.
Het CDA-verkiezingsprogramma. Daar heeft hij met belangstelling kennis van genomen. De heer Kremers begon eigenlijk met de constatering dat de landbouwsector een krimpende sector is. En dat is juist de crux waar we het over hebben. Dat betekent dus dat er niet alleen ruimte is voor andere zaken dan strikt landbouwkundige zaken, maar dat het zelfs een noodzaak is om te
zoeken op bepaalde plekken naar mogelijkheden om die krimpende landbouw, om dat areaal, ook op een andere manier ten goede te benutten. Dat is nu precies wat we hier doen. Hij kan de raad meegeven dat het naadloos past in de filosofie die voortkomt uit datgene dat u zojuist naar voren hebt gebracht. Mevrouw Van den Berg heeft het heel mooi onder woorden gebracht. Het is juist het zoeken naar hoe je deze zaken naast elkaar kunt laten bestaan. Als je die mogelijkheid gevonden hebt, om daar dan ook gebruik van te maken. De heer Kremers heeft ook gezegd dat bijvoorbeeld agrariërs eigenlijk zorgen voor onderhoud en vorming van het
landschap. Zeker als je naar het landschap hier ter plaatse kijkt, en met alle respect hij vindt dat we dat moeten doen, want de aanvraag gaat over dit gebied, dan kunt u alleen maar vaststellen dat de elementen die in dit landgoedplan zitten voortreffelijk passen binnen het landschap zoals zich dat daar aandient.
De heer Kremers zegt dat hij het helemaal met de wethouder eens is. Alleen, het stuk dat hij heeft voorgelezen geeft juist aan dat de huidige agrariërs die daar zitten, de agrariërs sec, heel goed in staat zijn om zelf aan landschapsbeheer e.d. te doen en dat we niet om die reden daar persé een landgoed hoeven te hebben.
Wethouder Frieling merkt op dat wat hem nu daarbij zo frappeert is dat de heer Kremers zegt dat het gaat om de agrariërs die daar zitten. De heer Meijer zit daar. Net zo goed als al die anderen. Dat betekent dus dat je niet bij die belangenafweging ook de belangen van de heer Meijer ter zijde kunt schuiven. Die moeten in zijn geheel afgewogen worden. Als dan de gemotiveerde conclusie is dat het heel goed naast elkaar kan bestaan dan vindt hij ook dat je daarmee uit de voeten moet kunnen.
De heer Meerman heeft gevraagd hoe het nu kan dat het zo lang heeft geduurd. Dat is gegaan zoals het is gegaan. Er is destijds een aanvraag geweest op een plek ten zuiden van Donderen waar het planologisch oogpunt niet mee akkoord kon worden gegaan. Toen is gezegd “wat zou dan eventueel kunnen”, en toen is dit gebied aangewezen met het noemen van concrete straatnamen. Dan praat je toch over een behoorlijk groot gebied en niet alleen over het gebied van dit landgoed. Hij wil zondermeer overeind houden dat hier sprake is van een zoekrichting.
Hij voegt daar aan toe dat het ook nooit meer kan zijn. Er is daar geen sprake van een bestaand bouwblok. Dat betekent dat die dus gecreëerd moet worden en dat is een bevoegdheid van deze gemeenteraad. Dat is altijd de voorwaarde waaronder wij met mensen spreken die met zo’n aanvraag komen.
Dan de tweede vraag was of de zorg terecht is dat de zone zal worden gepromoveerd naar II of
III. Dat is een zaak die aan de provincie is. Dat is buitengewoon moeilijk te zeggen. Hij weet dat het POP een intensieve voorbereiding kent waar ook alle partijen e.d. bij betrokken worden en dat dan vervolgens in de Staten van Drenthe een democratisch besluit genomen wordt. Hij kan proberen daar invloed op uit te oefenen maar hij kan er ook niet meer aan doen dan op een gegeven moment de uitkomst respecteren. Op zichzelf ziet hij er niet veel aanleiding toe. Als u kijkt naar wat er op dit moment in dat betreffende gebied is met het veentje aan de Norgerweg en de elementen die nu al daar zijn en beoogd worden deel uit te maken van het landgoed
Hooge Veld dan kun je nu ook al een zelfde veronderstelling huldigen. Maar, zoals al gezegd, het POP is dermate globaal dat het niet neerdaalt tot een dergelijk detailniveau.
De heer Kuipers zegt dat hier nu juist één van de pijnpunten van de landbouw zit. Als we die zorg weg zouden kunnen nemen dat categorie niet I danwel II of III zou kunnen worden, want hij heeft begrepen dat juist een aanwijzing van II of III een beperking voor de bedrijfsvoering van de landbouw in de omgeving aan zou brengen, dan denkt hij dat we al een angel uit het geheel weghalen. Hij begrijpt van de wethouder dat hij eigenlijk zegt dat het gemeentebestuur en de raad daar geen enkele invloed op heeft want dat ligt bij de provincie.
Wethouder Frieling zegt dat dat wij daar net zoveel invloed op hebben als anderen die het provinciaal bestuur beïnvloeden voordat die tot besluitvorming komt. Het is gewoon een ander gremium wat die beslissing neemt. Het POP kent de zone-indeling I t/m VI. I is heel strikt agrarisch, maar II kan de agrarische sector ook voortreffelijk in functioneren, III ook. Er zit ook genoeg landbouw in zone III. Dan zit hij weer met hetzelfde verhaal dat hij vanavond eerder heeft verteld dat er een feitelijke situatie is op een moment dat er een planologisch regime overheen gelegd wordt, maar in beginsel is het zo dat iedereen die er zit gewoon doorgaat.
Behoudens als de betreffende overheid die zo’n maatregel neemt zegt “ik wil het nu ook feitelijk anders hebben”. Dan worden er maatregelen genomen om het daartoe te brengen en dat gaat vaak gepaard met uitkoop of anderszins verplaatsen etc. Hij denkt ook gelet op de situatie van dit landgoed ten opzichte van aanliggende boerderijen dat er geen enkele reden is om hier te veronderstellen dat er - zelfs op langere termijn - verplaatsingen aan de orde zijn. Daar komt bij dat uiteindelijk deze gemeenteraad het bestemmingsplan vaststelt. Daarin staat niet zone I maar
daarin staan andere termen die min of meer in dat verlengde liggen.
Daar is ook de provincie mee gewend te werken en in beginsel is het zo dat als de raad het bestemmingsplan niet wijzigt en u blijft planologisch gezien de rationele landbouw in die omgeving faciliteren planologisch, dan blijft dat ook gewoon zo. En dat kan ook heel lang zo blijven. In relatie tot een normale generatiewisseling kan dat tussen twee generaties blijven liggen en dan verandert er niets.
De toetsing aan het POP is door de heer Van Es naar voren gebracht. Het POP is er, maar wij moeten de provincie bij een bestemmingsplanwijziging om advies vragen, van hoe zij daar mee om wenst te gaan in relatie tot hun eigen ruimtelijk beleid. De provincie heeft klip en klaar aan ons laten weten dat zij het landgoedplan een hartstikke goed plan vindt en dat vanuit hun verantwoordelijkheid ondersteunen. Dan kunt u er vanuit gaan dat de toetsing die de provincie
aan zijn eigen ruimtelijk beleid heeft gepleegd tot die uitkomst heeft geleid.
De toetsing aan de landgoederennotitie hier is uiteraard aan u. Hij heeft al aangegeven welke matrix daarbij aan de orde is. U zegt dat daar o.a. in staat dat de agrarische sector niet belemmerd mag worden. Hij blijft zeggen dat dat ook niet aan de orde is. Dan zegt u dat het bos het landschap niet ten goede zal komen. Dat kan hij ook niet volgen. Er is sprake van een bepaald contingent bos daar. Er is sprake van een niet-open landschap. Als u daar staat kunt u nergens zowat de horizon zien, tenminste niet als het blad aan de bomen zit. Er is duidelijk sprake van wegen met een singelbeplanting en in feite geeft dat met zich mee dat er eigenlijk sprake is van een niet-open landschap op dat gebied.
De heer Van Es heeft een wat merkwaardige draai aan de landinrichtingscommissie gegeven.
Eigenlijk suggereert hij dat de landinrichtingscommissie dit advies helemaal niet kon geven want ze moeten nog druk met de landinrichting aan de gang. Wij gaan toch niet hier bepalen hoe de landinrichtingscommissie zijn verantwoordelijkheid moet invullen? Als de landinrichtingscommissie ons een nette brief schrijft, en die brief hebt u gezien, technisch volstrekt helder, dan moet hij er toch vanuit gaan dat dat de opvatting van de landinrichtingscommissie is waar wij mee verder kunnen. We moeten toch niet redeneren van “nu misschien denken ze er over een jaar wel anders over”. Dat kan hij niet volgen en hij vindt eigenlijk ook dat Gemeentebelangen daarmee een diskwalificatie van het werk van de landinrichtingscommissie geeft. Het college gaat er in ieder geval van uit dat het goed is afgewogen. Hij betreurt overigens wat er aan is voorafgegaan bij een eerdere ronde en hij vindt ook dat daar niet terecht op is gereageerd. Wij hebben een keurige brief gestuurd, al veel eerder, aan de landinrichtingscommissie en daar hebben wij nooit antwoord op gehad. Hij hoort hier vaak wat de reactie is als er ergens iemand zegt dat hij geen antwoord heeft gehad, dus u begrijpt hoe het college zich voelt.
De heer Kalk heeft gezegd dat er gelijk wordt gezocht met terugwerkende kracht tot 1999. Hij weet echt niet waar dat op gebaseerd is en zo voelt hij het ook niet. Nogmaals, er is bewust een landgoederennotitie geschreven. Die is buitengewoon integer totstandgekomen en die is absoluut niet alleen maar gemaakt om een bepaalde aanvraag te kunnen honoreren. Dat die aanvraag er verder prima aan voldoet is de opvatting van het college, en daarom heeft het college dit voorstel met volle overtuiging aan u voorgelegd.
De voorzitter geeft het woord aan de inspreker, de heer Mulder voor zijn tweede termijn.
De heer Mulder zegt dat hij meerdere reacties heeft op vragen van raadsleden. Allereerst een reactie in de richting van mevrouw Smit die gevraagd heeft naar de bevoegdheid van de landinrichtingscommissie.
Dat is in de vergadering van 12 of 13 juli afgelopen zomer door onze inspraak heel duidelijk verteld hoe de bevoegdheid lag. De raad moet hierover beslissen en niet de
landinrichtingscommissie. Naar aanleiding van wat de heer Frieling zojuist heeft gezegd, de toetsing door de provincie, zowel in POP I als POP II staat nog steeds - en dat is denkt hij bedoeld om niet een wildgroei van landgoederen in het buitengebied te krijgen - dat een landgoed moet aansluiten bij bestaande bebouwing. Hij wil wel eens zien waar die bestaande bebouwing hier is. U zei naar aanleiding van onze aanvraag om een bouwblok dat er steeds een zoekrichting is aangegeven. Nee, er is hem exact op de kaart aangegeven door de ambtenaar “ waarom bouw je niet op dat perceel”. Hij gaat niet een kilometer verderop - waar spreker geen grond heeft - aanwijzen. De enige grond voor afwijzing die hij gekregen heeft is “daar moet een landgoed komen”. Maar dat is wel drie, vier maand na die tijd gebeurd. De ambtenaar zou met drie weken ongeveer het spul indienen bij B&W en dat gebeurde nooit. Hij heeft gewoon de indruk dat de ambtenaar teruggefloten is. Er is exact gezegd, en dat staat ook in de brief “daar moet een landgoed komen” en dan vraagt hij zich af hoeveel last heeft landbouw van dit landgoed.
De heer Kloos zegt nog een heel betoog te kunnen houden, ook naar aanleiding van de inbreng van de wethouder. Hij denkt niet dat dat moet. Wij hebben duidelijk ons standpunt uiteengezet.
Hij heeft met de munitie, die misschien wat te lang was, duidelijk aangegeven waar we op moeten letten en wat onze standpunten daarin zijn. Hij heeft nog even de notitie van Leefbaar Tynaarlo aangehaald waarin staat aan welke criteria een landgoed moet voldoen. Hij denkt dat het goed is om volgend jaar nog eens met elkaar als raad om tafel te gaan zitten en te zorgen dat je bepaalde criteria duidelijker neerzet waar jij binnen je gemeente eventuele ziet om landgoederen te creëren. Hij wil dat graag aan het college meegeven. Leefbaar Tynaarlo blijft bij haar standpunt zoals hij heeft aangegeven, dus tegen het voorstel.
De heer Kremers zegt dat de wethouder op een gegeven moment in het begin van zijn betoog zei dat er een aantal partijen waren die feitelijk afstand namen van de beleidsnotitie “Landgoederen”. Het CDA neemt geen afstand van deze notitie maar hij wil wel zijn verontschuldigingen richting de heer Meijer aanbieden en richting de heer Mulder en eigenlijk richting de burgers van deze gemeente voor het aannemen van een kennelijk zo slechte notitie.
Want dit is kennelijk een notitie waarbij zowel de voorstanders als de tegenstanders van landgoederen altijd gelijk kunnen krijgen. Als dat zo is dan denkt hij dat wij als raad een miskleun hebben gemaakt met het vaststellen van deze beleidsnotitie. In die zin vult hij wel de heer Kalk aan door te stellen dat de zone I gebieden primair de prioriteit agrarische bestemming hebben en niet de prioriteit landgoederen. Als je dan wel waarde wilt hechten aan door jezelf afgesproken beleidsnotities dan vindt hij het te gemakkelijk om bij de eerste de beste aanvraag om een landgoed je eigen beleidsnotitie zo gemakkelijk aan de kant te leggen. Dan kijkt hij even naar wat de wethouder verder zegt ten aanzien van het CDA met betrekking tot de krimpende agrarische sector. Dat staat inderdaad in ons verkiezingsprogramma onder het kopje algemeen.
Wij constateren dus dat de agrarische sector in Nederland aan het krimpen is en vervolgens zeggen wij dat de inzet van het CDA is het instandhouden van een vitaal platteland waar ook ruimte is - en misschien komen dan wel de twee belangrijkste woorden - én blijft, voor agrarische ontwikkeling. Dus daarmee doen wij zeker niets af aan wat belangenafweging betreft, wij hebben zowel het belang van de heer Meijer te bekijken als de belangen van de omliggende landbouwers en in hun situatie is gewoon de balans doorgeslagen naar de omliggende agrariërs.
Mevrouw Smit vraagt welke belangen het CDA dan afweegt. Die heeft zij tot nu toe niet gehoord.
De heer Kremers zegt dat het gaat om de belangen zoals die vermeldt staan in onze
beleidsnotitie “Landgoederen als spiegel van de 21e eeuw”, waarin letterlijk staat aan welke voorwaarden voldaan moet worden om ergens een landgoed te mogen plaatsen, aan de belangen zoals die zijn neergelegd in het Provinciaal Omgevings Plan II waar in dit gebied juist is benoemd als gebied voor agrarische ontwikkeling en aan de belangen van de, rond de 15, omliggende agrariërs die vrijwel allemaal hebben aangegeven erg veel moeite te hebben met het realiseren van een landgoed aldaar.
De heer Kalk zegt dat in het gesprek van ambtenaar D. te V. met de heer Mulder is aangegeven een drietal wegen. Nu als je op een kaart drie wegen aangeeft dan weet je tamelijk precies waar je zit. Een tweede punt is een opmerking geweest van de heer Mulder. Hij is daar niet op in gegaan want hij wil ook zijn collega raadsleden die deel uitmaken van de landinrichtingscommissie niet in verlegenheid brengen, maar men mag zich nog wel eens afvragen wat de specifieke rol is van de landinrichtingscommissie. Hij heeft het genoegen gehad om jarenlang vice-voorzitter van een dergelijke commissie te mogen zijn van een groot indelingsgebied in de provincie Groningen. Hij kan zich nog heel goed herinneren de vele uren die wij hebben besteed aan het feitelijke werk van een landinrichtingscommissie, het woord zegt het al, en de afweging over de planologische invulling is in principe een kwestie van het overleg tussen provincie en gemeenten. Hij zou nog wel eens willen weten op welke letter men zich beroept dat een landinrichtingscommissie dit soort adviezen überhaupt zou moeten geven.
De heer Kuipers zegt dat GroenLinks in de eerste termijn heeft aangegeven dat zij van mening zijn dat dit landgoed een verrijking zou kunnen zijn voor het gebied. De zorg die een groot deel van deze raad heeft ziet zijn fractie niet. Integendeel, zij zien de positieve aspecten. Wat echter op dit moment bij hun boven komt drijven is dat deze raad zo langzamerhand zich zou mogen gaan schamen voor wat dit dossier betreft. Zij denken dat hier toch een zeer slecht bestuur boven komt drijven. Waar duidt hij op. Wij hebben in deze raad een notitie landgoederen aangenomen. Die heeft een zeer brede steun gehad en GroenLinks is daar uiteindelijk ook mee akkoord gegaan. GroenLinks heeft in eerste instantie, zeker vanuit hun linkse gedachte, best wel vraagtekens geplaatst rond landgoederen maar zij zagen ook de verrijking van het geheel en zij hebben zich ook achter deze notitie gesteld. Bij de eerste de beste aanvraag, en de heer Kremers ging er op in maar komt tot een andere conclusie dan hij, meent deze raad dat we dit maar niet moeten honoreren. Zo langzamerhand weet een initiatiefnemer niet meer waar hij aan toe is want het kan alle kanten op schieten. Het spijt hem dat hij als onderdeel van deze raad, mede zou moeten zeggen dat wij hier toch wel heel slordig zijn met het bestuur.
Het voorstel dat het college heeft neergelegd blijft door GroenLinks ondersteund omdat zij denken dat het een waardevol initiatief is.
De heer Van Es zegt dat Gemeentebelangen niet van mening is veranderd. Het blijft een kwestie van toetsen aan de verschillende documenten die er aan ten grondslag liggen. Als er niets te toetsen of te vergelijken zou zijn hadden we dit gesprek niet hoeven voeren. Als het een andere kant opslaat dan sommigen hadden gewild, hij gaat er vanuit dat het college ook eerlijk heeft afgewogen. Dat heeft Gemeentebelangen ook gedaan. Zij komen tot een andere conclusie en die luidt “geen landgoed daar”.
Mevrouw Smit zegt dat zij nog enkele opmerkingen heeft naar aanleiding van de eerste termijn van enkele fracties. Het CDA heeft kennelijk geciteerd vanuit het verkiezingsprogramma.
Wat de VVD opvalt - en eigenlijk ook heel erg tegen valt - is dat regelgeving die vastgelegd is in het POP, dat men daarin, in zone I, een uitsluitend recht geeft aan landbouwers. Dat vinden zij erg kort door de bocht. Dat doet geen recht aan de hele beleidsnotitie van het POP.
De heer Kremers zegt dat hij niet het woord “uitsluitend” heeft gebruikt maar hij heeft gesteld dat zone I de prioriteit geeft aan agrarisch gebied. Hij heeft niet gezegd dat dat uitsluitend agrarisch
gebied zou mogen zijn. Dat is een iets andere nuancering.
Mevrouw Smit zegt dat als het gaat om de feitelijke situatie dan kan zij niet anders dan constateren dat het CDA gewoon andere ontwikkelingen uitsluit. De afweging van belangen landgoed/agrarische bedrijven die hoort zij niet. En als zij dan vervolgens kijkt hoe het CDA omgaat met de interpretatie van onze beleidsnotitie “Landgoederen” dan kan zij niet anders dan constateren dat er een heel vrije interpretatie aan wordt gegeven en het wordt gebruikt om initiatieven van burgers gewoon om zeep te helpen. Ook daarin vindt geen afweging plaats. Als er dan gesproken wordt over bedreigingen van landbouwers wordt er alleen maar uitgegaan van toekomstverwachtingen en op basis daarvan een besluit nemen is foute boel in de ogen van de VVD. In feite wordt er gesproken over zaken die een gemeente niet in de hand heeft.
De heer Kalk zegt mevrouw Smit te willen vragen uit de notitie “Landgoederen” bepalingen te
noemen op grond waarvan een honorering van het landgoed van de heer Meijer onontkoombaar is.
Mevrouw Smit zegt dat als het gaat om onontkoombaarheid kun je heel veel verschillende interpretaties geven. Dat heeft u zojuist van een aantal partijen gehoord. Maar als het er om gaat beleidsnotities vast te stellen hier waarbij al het mogelijke bijeen wordt gehaald om belemmeringen in de weg te leggen en om gebruik en ontwikkelingsmogelijkheden van eigendommen te belemmeren, nogmaals zij heeft alleen maar op basis van toekomstverwachtingen gevaren en bedreigingen gehoord en dat vindt zij gewoon jammer omdat dat zaken zijn die wij als gemeente niet kunnen beïnvloeden en ook niet in de hand hebben. Als de heer Kalk goed geluisterd had dan heeft hij in haar eerste termijn ook een aantal zaken, waaronder die van de Ecologische Verbindingszones, maar ook die van maatschappelijk gebruik van locaties, kunnen beluisteren, welke bijdrage het kan leveren aan het gebruik en sowieso van het creëren van een landgoed. Het gaat er niet om onontkoombaarheden te formuleren in een beleidsnotitie maar het gaat er om kaders neer te zetten waaraan wij voorstellen kunnen toetsen.
De heer Kalk zegt gevraagd te hebben een aantal bepalingen te noemen op grond waarvan die keuze voor dat landgoed onontkoombaar is. Met andere woorden, dan kun je niet voor iets anders kiezen. Nu geeft mevrouw Smit zelf aan dat je daar allerlei uitleggen aan kunt geven. Zo interpreteert hij dat. Dan vindt hij dat mevrouw Smit een heel harde taal spreekt tegenover mensen die op grond van een aantal stukken tot andere afwegingen komen. En dat is net wat het woordje “poli” in politiek betekent, dat je soms tot verschillende inzichten kunt komen. Het is
niet zo dat er een soort neurotisch verband is tussen de notitie “Landgoederen” en het vervolgens beoordelen van een aanvraag. Zo simpel zit de wereld niet in elkaar.
Mevrouw Smit zegt dat het er om gaat dat we aan de hand van vastgesteld beleid onze aanvragen tot dit soort ontwikkelingen toetsen. Nogmaals de ruimte die dan genomen wordt om belangen af te wegen doet er dan in die zin niet toe, maar het lijkt alsof er van alles aan interpretaties bij elkaar wordt gehaald om ontwikkelingen in de weg te staan.
Richting het CDA, en dat is eigenlijk ook een vraag aan het college, heeft zij nog één puntje.
Vanuit het verkiezingsprogramma wordt er geciteerd dat er op basis van toekomstverwachtingen toch wordt gekozen voor zorgvuldig omgaan met de landbouw. Zij begrijpt vanuit de strekking van het verhaal dat er ook in die zin ook alleen maar rechten worden toegekend in dit gebied aan de landbouw. Haar vraag is de volgende. Zitten de fractie en de wethouder wel op één lijn als het gaat om de beoordeling van de aanvraag van dit landgoed?
De heer Kremers zegt hier wel op te willen reageren. We zitten gelukkig in een duaal stelsel waarbij wij als fractie onze eigen verantwoordelijkheid hebben en het innemen van een standpunt niet afhankelijk is van hoe onze wethouder binnen het college daar over denkt.
Ten aanzien van landgoederen specifiek op deze plek. Het CDA is een warm voorstander van de ontwikkeling van landgoederen. Ook bij de beleidsnotitie die toentertijd is vastgesteld heeft het CDA heel duidelijk aangegeven dat wat haar betreft landgoederen ontwikkeld mogen worden. Zij hebben zelfs aangegeven waar hun voorkeur naar uitging voor wat betreft het vestigen van landgoederen. Hij kan zich nog herinneren dat o.a. gezegd is langs het Noord- Willemskanaal. Dus het is niet zo dat het CDA uitsluitend de agrarische belangen behartigt, alleen in dit geval, en dat is ook wat in deze raad is afgesproken, we zullen per geval bekijken of op een bepaalde plek een landgoed wel of niet terecht is, en in dit geval zegt zijn fractie “nee”. Mevrouw Smit zegt dat zij, als het gaat om de beoordeling van deze aanvraag, het CDA wel erg slappe knieën vond krijgen dat gelijk er toe wordt besloten dat de notitie niet deugd en dat er meerdere interpretaties aan kunnen worden gegeven. Niets geen excuses aan inwoners of wat dan ook. Deze notitie is een goede notitie en wij hebben geen enkele reden om daar aan te gaan twijfelen.
Als het gaat om de opmerkingen die de heer Gringhuis van de ChristenUnie heeft gemaakt dan merkt zij daarin toch heel weinig van een afweging als het gaat om het advies van de landinrichtingscommissie. Zij vindt het wat kort door de bocht dat er slechts enkele punten worden genoemd. Het ligt niet aan een doorgaande interlokale weg, alsof dat een must is, en anders kan er geen landgoed komen. Dat is wel kort door de bocht.
Wat de PvdA betreft die een afweging maakt tussen arm en rijk daar begrijpt zij helemaal niets van als het dan gaat om het toetsen aan vastgesteld beleid. Zij zou daar nog graag enige opheldering over willen hebben.
De opmerking die vanuit Gemeentebelangen wordt gemaakt heeft alles te maken met toekomstverwachtingen en op basis daarvan is getoetst. Naar haar mening kan dat niet. Dat kan alleen maar aan de hand van vastgesteld beleid.
Zij heeft nog een vraag aan het college. Als er door de raad een negatief besluit wordt genomen brengt dat dan een risico met zich mee dat er mogelijk een schadeclaim voor de gemeente wordt ingediend?
Wethouder Frieling zegt dat wat zich eigenlijk een beetje aftekent is een soort kampioenschap “opnemen voor de agrarische sector”. Dat kampioenschap wil het college ook aan meedoen. Hij durft voor 100% de stelling aan dat de agrarische sector van dit college heel veel goede dingen heeft gezien de afgelopen jaren en er ook op kan vertrouwen dat dat zo blijft. Als het gaat om afwegingen die gemaakt moeten worden tegen de achtergrond van de planologie verwijst hij naar de medewerking die het college voornemens is te verlenen aan de vestiging van een mestvergisting vlak bij dit landgoedplan. De betreffende boeren die naast dit plan wonen worden gewoon bediend terwijl op dit moment het bestemmingsplan het niet toelaat. Dat is een manier van omgaan met planologie dat je zegt, we wegen belangen, we kijken naar het regime maar als we vinden dat het belang in overeenstemming te brengen is met een feitelijke situatie die daar ter plaatse gewoon is dan verlenen wij daaraan medewerking. Hij vindt het jammer dat er dan zo defensief wordt gekeken. Je laat je dan leiden door vrees van wat de toekomst brengt terwijl je juist ook van ondernemers moet verwachten, maar ze daarin ook moet stimuleren en bevestigen, dat ondernemers juist vol vertrouwen die toekomst tegemoet moeten gaan. Dat bedrijfsvoering uiteraard in belangrijke mate wordt beïnvloed door maatregelen van de overheid dat is correct. Dat weten we. Dat geldt niet alleen voor boeren maar ook voor andere sectoren.
Het is in ieder geval duidelijk dat in deze gemeente de landbouwsector buitengewoon weinig last heeft van planologische maatregelen. Wij proberen dat zoveel mogelijk te faciliteren dat de landbouw zich goed kan ontwikkelen. Daarnaast zijn er regels die landelijk gelden en ook landelijk worden vastgesteld en waarvan je soms denkt “hartstikke vervelend, dat die op deze manier uitpakken ”. Die voorbeelden kennen we allemaal. Alleen daar kunnen wij op ons niveau niets aan doen. U moet het niet zo zien dat u denkt dat we het dan maar moeten compenseren door de planologie op bepaalde momenten dan maar een beetje te laten schieten, want daar is uiteindelijk die boer ook op geen enkele wijze mee geholpen. Hij vermag ook echt niet in te zien, even vanaf de andere kant geredeneerd, hoe de buren van dit landgoedplan geholpen zijn als het landgoed er niet komt. Er zijn uitstekende mogelijkheden om beide doelen goed te dienen.
Hij vindt het echt jammer dat de raad daar in feite in grote meerderheid niet in mee wil gaan.
Hij wil nog een vraag beantwoorden die de heer Kalk aan mevrouw Smit heeft gesteld. Er is gevraagd geef nu eens aan waarom die landgoederennotitie aangeeft dat het onontkoombaar is.
Nu onontkoombaar is er niets. Zaken in het openbaar bestuur betitelen als onontkoombaar zet het openbaar bestuur op slot op een manier die wij geen van allen willen en die we ook niet moeten willen omdat de burger daar niet mee gediend is. Op pagina 27 van de landgoederennotitie staat het afwegingsschema. Hij heeft daar eerder al naar verwezen. Dat zijn de samenvattingpunten 1 t/m 9. Er is op verschillende factoren van heel fijn op detail toegewerkt naar deze criteria en dan durft hij gewoon te zeggen dat het daaraan uitstekend voldoet en dat u absoluut met droge ogen, op basis van dit afwegingsschema, kunt zeggen dat dit initiatief in feite logisch voortvloeit uit de toepassing van de criteria die hier zijn geformuleerd. Nogmaals, niet onontkoombaar maar wel zo goed als onontkoombaar.
Hij heeft zich erg verbaasd over de conclusie dat het college een slechte notitie zou hebben geschreven. Hij herinnert zich nog goed de avond dat die notitie is vastgesteld, want het was één van de beste avonden die hij hier gehad heeft. En dan hoort hij nu tot zijn grote schrik de woordvoerder van het CDA zeggen dat we ons maar moeten verontschuldigen want we hebben een slechte notitie vastgesteld. Hij zal het woord niet gauw gebruiken in deze zaal en zeker niet tegen de gemeenteraad maar hij vindt dit echt onzin. Dat is niet aan de orde. U kunt te allen tijde deze notitie met volle overtuiging tegenover een ieder verdedigen. Het is gewoon een uitstekend afgewogen notitie en daar hoeft u zich absoluut niet voor te verontschuldigen. Eigenlijk vindt hij het gewoon jammer dat u daar afstand van neemt. Formeel wil hij de raad er dan toch op wijzen dat voor een nu zittend raadslid doorslaggevend moet zijn het beleid zoals het door de raad is vastgesteld en niet het verkiezingsprogramma dat pas geldt vanaf 16 maart 2006.
Dan de vraag van mevrouw Smit of een negatief besluit risico oplevert voor een schadeclaim.
In ieder geval staat het degene die zich benadeeld voelt door een dergelijk besluit vrij om een claim in te dienen. Dat staat voorop. Hij heeft aangegeven hoe het college de toetsing ziet aan het vastgestelde beleid en ook hoe het college oordeelt over een daaraan tegengesteld te nemen besluit. Hij mag niet uitsluiten dat we daar heel lang over zouden kunnen procederen en hij durft een goede afloop vanuit het zicht van de raad op dat punt niet te voorspellen.
De heer Gringhuis zegt dat hij zich kan herinneren dat hij de vorige keer ook een vraag van dezelfde strekking heeft gesteld en dat hij toen als antwoord heeft gekregen dat er geen kans was op een claim omdat het geen vastgesteld plan was.
Wethouder Frieling antwoordt dat de raad een eigen afweging maakt. Natuurlijk is dat zo. De raad heeft het laatste woord maar u kunt u eigen beleid, dat u zelf geformuleerd hebt, daarbij niet negeren. Op het moment dat u op een bepaald terrein beleid vaststelt dan beperkt u uw vrijheid om te besluiten. Dat is gewoon zo. Of u dat nu leuk vindt of niet en of het nu op het ene moment beter uitkomt dan op het andere moment, maar dat is de positie. U geeft een stuk vrijheid weg als u beleid formuleert.
De heer Gringhuis zegt dat als nu blijkt dat hier 23 leden willen toetsen aan een document dat er ligt en 15 van die leden komen tot een inzicht dat op basis van het bestaande beleid dat hier door de raad is vastgesteld er een negatief oordeel uitkomt, dan is dat toch zo?
We hebben ook destijds bij de vaststelling gezegd als er een concreet verzoek ligt kom er dan gewoon vroeg mee in de raad zodat we niet zomaar zo’n ellenlang verhaal als dit krijgen. De raad moet op tijd de ins- en outs kunnen beoordelen en hun oordeel daarover kunnen geven.
Dat is toch gevraagd?
Wethouder Frieling zegt niet precies de strekking te weten van wat de heer Gringhuis nu bedoelt.
De voorzitter merkt op dat het meer een constatering is.
De heer Kalk zegt aan te haken bij de opmerking van de heer Gringhuis. In de vorige
vergadering toen we over dit onderwerp spraken is met name ook de situatie voor de andere aanvrager benoemd in relatie tot schadeclaims. Toen hebt u daar een vrij zeker en hard antwoord op gegeven. Hij vindt het nu wel vreemd dat nu het onderwerp van schadeclaim bij, zoals het lijkt, een negatief oordeel van de raad nu plotseling nog even pontificaal wordt opgevoerd. Dat vindt hij een wat strijdig punt.
Wethouder Frieling zegt dat het hem is gevraagd. Als een raadslid een vraag stelt moet hij daar toch antwoord op geven? Dan moet u hem niet kwalijk nemen dat hij antwoord geeft.
De voorzitter zegt tot stemming te willen overgaan. De heren Brink en Stel hebben aangegeven niet aan de stemming te zullen deelnemen om belangenverstrengeling te voorkomen. Zij verlaten tijdelijk de zaal. De heer Meerman heeft al op een eerder moment de vergadering verlaten. Dat betekent dat er 20 raadsleden aan de stemming zullen deelnemen.
Vervolgens wordt met de aantekening dat de aanwezige zes leden van de fracties van GroenLinks, D66 en VVD worden geacht voor het voorstel te hebben gestemd en de aanwezige
14 leden van de fracties van PvdA, Leefbaar Tynaarlo, ChristenUnie, Gemeentebelangen en CDA tegen, het voorstel van het college van 22 november 2005 verworpen.